Kennisnet Leerlingzorg Archief
Stotteren Auteur: Mies Bezemer Voor het laatste gewijzigd op 27 september 2007 U kunt dit artikel ook downloaden als Word-document (zie 'links')
In de week van 1 tot en met 7 oktober stonden stotterende jongeren in het voortgezet onderwijs centraal tijdens de Nationale Stotterweek 2007. Alle scholen voortgezet onderwijs ontvingen een informatieve brochure over stotteren. In het kader van deze Stotterweek een artikel van Mies Bezemer, logopedist/stottertherapeut.
Stotteren, bij wie en hoe vaak? Stotteren ontstaat meestal op jonge leeftijd en kenmerkt zich door het herhalen van delen van woorden, van klanken of door het verlengen van klanken. Er kan lichamelijke spanning merkbaar zijn, waardoor blokkades ontstaan: het vastzitten op spraakklanken. Luisteraars kunnen tijdens een gesprek een gevoel van onbehagen ervaren. Stotteren komt bij één tot twee procent van de jongeren en volwassenen voor en begint meestal op jonge leeftijd, tussen de twee en negen jaar. Het komt ongeveer bij drie á vier procent van de schoolkinderen voor, jongens hebben er drie- tot viermaal vaker last van dan meisjes.
Stotteren treft men in alle lagen van de bevolking en in alle culturen aan. Er zijn geen duidelijke persoonlijkheidskenmerken aan te wijzen bij mensen die stotteren. Stotteren ontwikkelt zich bij ieder weer anders. Een aantal kinderen zal spontaan of met enige hulp van het stotteren herstellen. De groep kinderen die blijft stotteren heeft het niet altijd makkelijk, zeker niet wanneer zij naar de middelbare school gaan. Juist op deze leeftijd wil een kind voldoen aan een beeld dat verwacht wordt en stotteren past daar niet in.
Speelt aanleg een rol? Men neemt aan dat mensen die stotteren hier een aanleg voor hebben. Het hele samenspel van spierbewegingen om tot vloeiend spreken te komen verloopt bij hen niet soepel. De vloeiendheid van het spreken raakt, onder invloed van druk van buitenaf, makkelijk verstoord. De druk van buitenaf bestaat in de kindertijd vaak uit spannende nieuwe situaties voor het kind, uit reacties op het stotteren door anderen, uit reacties van het kind zelf op zijn stotteren en uit de manier waarop het kind zijn spreken daar weer op aanpast.
De ernst van de spraakontregelingen en de reacties hier weer op zijn per persoon verschillend. Veel mensen die stotteren proberen geleidelijk, uit angst dat anderen het stotteren opmerken, enorm hun best te doen juist níet te stotteren. Zij bedenken allerlei manieren om hun stottergedragingen te vermijden. Samenvattend: Stotteren is een optelsom van aanleg, omstandigheden die het stotteren uitlokken, ervaringen die een kind opdoet met het stotteren en de manier waarop hij hier weer op reageert.
Verschillende manieren van stotteren Stotteren komt alleen voor wanneer iemand met een ander in gesprek is. Door de verschillende manieren waarop kinderen hierop reageren ontstaan verschillende patronen van stotteren. Door deze verscheidenheid is het stotteren voor de luisteraar niet altijd makkelijk te herkennen. Er zijn verschillende gedragingen op te merken, zoals:
- stopwoordjes en aarzelingen om woorden of het hele spreken uit te stellen.
- steeds opnieuw beginnen, zinnen veranderen of andere woorden gebruiken.
- het maken van extra bewegingen, bijvoorbeeld met de ogen knipperen, met de kaak trekken of andere delen van het lichaam spannen in de strijd om ‘uit een woord te komen’.
- zwijgen, het spreken kort houden of, op school, doen alsof je het antwoord niet weet of ‘vergeten’ waar je bent in de les.
- een onverschillige houding aannemen.
- opvallend, bijvoorbeeld brutaal, agressief of clownesk gedrag laten zien of juist het omgekeerde: zich terugtrekken.
- wegblijven van de les.
Wanneer een kind zo krampachtig probeert om het stotterend spreken te omzeilen, is het duidelijk dat het stotteren hem in gedachten (te) veel bezighoudt. Zijn houding ten opzichte van zijn spreken wordt er niet positiever op. Zijn hart klopt sneller, het zweet breekt hem uit, gevoelens van angst, frustratie en schaamte krijgen misschien de overhand. De aandacht lijkt geleidelijk meer naar de maníer van spreken te gaan en de ínhoud lijkt minder belangrijk te worden: ‘als het maar vloeiend lijkt’. Gedachten die de kop op kunnen steken zijn bijvoorbeeld: ‘Oh help, daar ga ik weer’ of ‘Als ik straks moet praten, zullen de anderen wel weer denken dat ik niet weet wat ik zeggen wil,’ enzovoort. De neiging om het stotteren te camoufleren zal gestaag groeien.
Op den duur raken vele van deze gedachten, emoties en zelfontwikkelde reacties sterk ingesleten. Het lijkt voor de luisteraar dat de leerling redelijk vloeiend spreekt maar de leerling weet zelf wel beter. Tijdens sport e.d kunnen de leerlingen vaak wél vloeiend spreken, de druk op het spreken is dan immers veel minder. Het is begrijpelijk dat leraren in verwarring raken, stottert de leerling nu wel of niet? Een betrouwbare (stotter)therapie zal logischerwijs aandacht besteden aan alle hier genoemde problemen en zal daarom ‘op maat’ gegeven worden. Luisteren naar stotteren Wanneer een leerling stottert op een manier die gepaard gaat met veel spierspanning kan de luisteraar, in dit geval de leraar, soms mee de adem inhouden of een gespannen gevoel ervaren. Vaak heeft de luisteraar in gedachten al aangevuld wat de ander vermoedelijk wil zeggen. Hij moet zich dan inhouden en dat is lang niet altijd makkelijk. ‘Gewoon doen alsof er niets aan de hand is’, is een goede raad, maar meestal moeilijk op te volgen. Openheid betrachten over stotteren werkt daarom goed voor de leerling die stottert, maar ook voor de luisteraar. Algemene richtlijnen voor de luisteraar zijn:
- Let altijd meer op de inhoud van hetgeen het kind zegt dan op de vorm van het spreken.
- Laat iemand die stottert uitpraten, de spreker aanvullen kan heel verkeerd uitpakken.
- Kijk de leerling aan, ook als hij stottert. Aandacht hebben voor de ander blijft het belangrijkste.
- Neem de tijd om te luisteren, probeer de druk in de communicatie te verlagen.
- Spreek zelf rustig en hanteer pauzes in het spreken, zodat de stotterende leerling de kans krijgt zijn mening te geven.
- Wees voorzichtig met het geven van adviezen: ieder goed bedoeld advies is immers een vorm van kritiek. De leerling doet al zo zijn best, gezien zijn hevige proberen om zijn stotteren te verbergen.
Speciale aandacht in het voortgezet onderwijs Wanneer een kind ouder wordt en de nodige evaring heeft opgedaan met stotteren heeft hij geleerd op eigen wijze hierop te reageren. Het mag een uitdaging voor de leraar worden het stotteren van de leerling te begrijpen, te doorzien en extra hulp te bieden. De nieuwe omstandigheden in het voortgezet onderwijs kunnen van grote invloed zijn op de ontwikkeling van stotteren. Het kind stapt over van één docent op de basisschool, die volledig op de hoogte is van het stotteren, naar een heel lerarencorps op de nieuwe school. Hij komt in een andere omgeving, klasgenoten weten niet dat hij stottert. Kan de leerling makkelijk omgaan met leeftijdgenoten? Hoe is het sociale klimaat van de klas, van de school? Op de middelbare school krijgt de leerling ineens te maken met nieuwe leersituaties en werkvormen die hoge eisen stellen aan zijn spreekvaardigheid zoals spreekbeurten, boekpresentaties en discussies.
Docenten zullen zich in de eerste plaats moeten verdiepen in de vele verschijningsvormen van stotteren om een leerling goed te kunnen begeleiden. Misschien heeft de leerling nooit therapie gehad of is dat al weer een langer tijd geleden. De docent kan via gerichte observatie een eventueel stotterprobleem leren herkennen:
- Formuleert een leerling duidelijk of laat hij een warrig verhaal horen?
- Zijn er opvallende gedragingen in het gezicht zoals bijvoorbeeld fronsen, grimassen, andere opvallende bewegingen?
- Maakt de leerling een erg verlegen, teruggetrokken indruk?
- Valt hij juist op in gedrag?
- Gaat hij (vrijwillige) beurten uit de weg?
- Gaat hij goed om met zijn klasgenoten?
- Is er een groot verschil in beoordeling van de leerling tussen de verschillende docenten?
- Is er een groot verschil tussen mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid?
- Kijkt de leerling de leerkracht aan, doet hij mee in discussies?
- Hoe is het klimaat in de klas? Hoe tolerant is de groep wanneer iemand zich anders dan anderen gedraagt? Hoe ligt de leerling in de groep?
Bij een vermoeden van stotteren is het verstandig dat de docent in gesprek gaat met de leerling. Nader overleg met ouders en logopedist/stottertherapeut is aan te raden.
- Praat met de leerling over de opgemerkte stottergedragingen. Als hij de docent bijvoorbeeld niet aankijkt hoeft dit niet ‘een gebrek aan aandacht of respect voor de docent’ te zijn. Het is waarschijnlijk de enige mogelijkheid die de stotterende leerling ziet om te voorkómen dat hij aangesproken zal worden.
- Laat de leerling merken dat je hem wilt helpen, probeer open over stotteren te spreken, vraag wat de mening van de leerling zelf is.
- Bespreek samen of en hoe er eventueel aanpassingen gemaakt kunnen worden in verschillende spreeksituaties op school.
- Bespreek met de leerling de verschillende problemen die hij ervaart en vreest tegemoet te gaan, zoals beurten, presentaties of examens.
- Er zijn ook leerlingen die last hebben van het feit dat zij (te) hoge eisen aan zichzelf stellen, niet makkelijk kunnen omgaan met ‘fouten’, moeite hebben met het hanteren van tegenslagen en ‘overreageren’ op emotioneel geladen gebeurtenissen en dit vervolgens niet in rustige banen kunnen leiden. Op de middelbare school worden zij ineens geconfronteerd met een beoordeling uitgedrukt in cijfers, tot in twee decimalen. De stress rond de beoordeling kan zo hoog oplopen dat een faalangstreductietraining aan te raden is. Verwacht echter niet dat het stotteren hiermee zal verdwijnen.
- Overleg met de leerling dat de andere docenten ook in kennis gesteld zullen worden. Kan de leerling een aandeel hebben in deze informatieoverdracht?
- Vul niet te snel in hoe de leerling zich zal voelen, wat zijn gedachten zullen zijn. Wat voor de een geldt, geldt niet voor de ander.
- Sluit de leerling niet uit van spreektaken. Overleg met hem en eventueel met zijn therapeut wat hij aankan of wat wenselijk is.
- Wanneer klasgenoten op de hoogte zijn van het stotteren kan dit de communicatie enorm vergemakkelijken. Een informatief gesprek organiseren, een spreekbeurt houden, een werkstuk maken over stotteren, er zijn genoeg mogelijkheden.
- Wees alert op pestgedrag in de klas. Meestal is de angst voor pesten groter dan dat er daadwerkelijk gepest wordt. Voorkomen is echter beter dan genezen, leerlingen kunnen maar beter voorbereid zijn op eventuele pesterijen.
- De keuzes voor een beroep en vervolgopleiding hoeven niet af te hangen van het stotteren. Mensen die stotteren kom je werkelijk in alle beroepsgroepen tegen. Iemand die stottert, zal vermoedelijk niet de ambitie hebben nieuwslezer te worden. Verder zijn er maar weinig echte beperkingen. Een docent kan een leerling werkelijk steunen in het maken van keuzes door hem de mogelijkheden en niet de onmogelijkheden voor te houden.
Verder lezen
Stotter Informatie Centrum (SIC): www.stotteren.nl , verschillende brochures, folders en andere uitgaven. Bezemer. M; Bouwen. J, Winkelman.C.L.(2006) Stotteren, van theorie naar therapie. Bussum: Coutinho. Bertens, A., & Weeda-Hageman, J. (2007). Kinderen die stotteren. Amsterdam: Uitgeverij Boom. Diekstra, R. (1999). Ik kan denken/voelen wat ik wil. Amsterdam: Swets & Zeitlinger. Dell, C.W. (1986). Stotterende kinderen. Rotterdam: Ad Donkers. Janssen, P. (1985). Gedragstherapie bij stotteren. Utrecht: Bohn, Stafleu & van Loghum. Perkins W.H. (1993). Stotteren voorkomen . Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
Links
Nederlandse Federatie Stotteren
stttrz.nl
Download dit artikel
[MS-Word
45 Kb
]
|
|